MenuCatharina Eck text, no JavaScript Log in  Deze pagina in het NederlandsDiese Seite auf DeutschThis page in EnglishCette page en Français

 

Catharina Eck

Anna Catharina (Trienchen / Catrinchen) Eck (∗ 03-02-1882 † 02-06-1950) was afkomstig uit Kerkrade, haar man Jean Cremers (∗ 28-12-1878 † 02-05-1947) kwam uit Voerendaal. Over het waarom ze naar Valkenburg zijn gekomen staat meer op Het echtpaar Eck-Chermin en hun kinderen. Het had met het werk van Jean als onderwijzer aan de Valkenburgse MULO voor jongens te maken.
Toen ze naar Valkenburg kwam, probeerde ze zich met haar Kerkraads dialect verstaanbaar te maken. Er waren nog geen supermakten, de winkels hadden nog toonbanken, waar je je wens kon uiten. Zo ging dus ook oma Cremers in Valkenburg haar boodschappen doen. Ze had bijna alles bij elkaar, toen ze zei: „Dan jäft mich gevälligst nog ’ne pot zeem!“
Wat niets anders betekent dan dat ze asjeblief een pot stroop wilde. Dat begreep die juffrouw niet, ze verstond iets van zeem en kwam met een stuk leer. Men praatte volledig langs elkaar heen, tot ze door wijzen toch kreeg wat ze wilde. Zo ver liggen blijkbaar het Valkenburgs en het Kerkraads uit elkaar. Sindsdien heeft ze in Valkenburg nooit meer één woord Kerkraads gesproken.
Ze werd door haar familie Trienchen en Catrinchen genoemd, maar in Valkenburg werd dat mevrouw Cremers en waarschijnlijk voor de mensen die haar daar bij haar voornaam noemden Catharina. Die voornaam leeft voort in haar kleindochters Ineke en Rieneke. Door haar kinderen werd ze Moeke genoemd.

Catharina Eck werd door haar dochter Gerda, mijn moeder, beschreven als een kordate, maar tegelijk zeer warmhartige vrouw. Dat moet ook wel zo geweest zijn, want anders was het haar nooit gelukt, op rijpere leeftijd niet alleen nog een hotel op te zetten, maar ook een zeer hechte kring van gasten aan te werven, die juist in de begintijd voor het overleven zo noodzakelijk zijn.
Het begon allemaal in de Muntstraat, op nummer 7. Opa Cremers begon steeds meer last van zijn ziekte te krijgen, het was duidelijk, dat hij niet meer lang kon blijven werken. Dus ging Catharina kamers met ontbijt verhuren, wat door het in Valkenburg opkomend toerisme voor de hand lag. Wat minder voor de hand lag, was de voortvarendheid, waarmee ze dat aanpakte. Ze huurde kamers in bij buren en voegde die aan haar bedrijfje toe. De gasten die bij de buren sliepen, kwamen bij haar ontbijten. Later kregen ze desgewenst ook een warme maaltijd. Op die manier groeide het uit tot een kompleet pension.
Alles liep zo voorspoedig, dat er niet meer aan de grote vraag kon worden voldaan. Er werd uitgezien naar een locatie om een echt hotel te bouwen. Die werd gevonden aan de Wilhelminalaan in Valkenburg. Het werd van de plaatselijke mergelblokken gebouwd en kreeg een heel eigentijds uiterlijk.
Het was in Duitsland de tijd van de inflatie en van grote werkloosheid. Bijgevolg kwamen er in hotel Cremers veel Duitsers werken, vooral uit het Rijnland. Ik weet niet, waarom ik in dit verband aan Boppard denk. Kwamen daar personeelsleden vandaan?
De twee grote dochters kregen ieder een taak in het hotel. Wielke was lichamelijk niet zo sterk, maar ze kon goed rekenen. Dus kreeg ze een administratieve taak. Gerda kreeg met haar prille 16 jaar nominaal de leiding over de keuken. Maar in feite deed ze dat natuurlijk samen met de chefkok. (Later heeft ze vaak verteld, dat ze toen 16 was, zodat ik ervan uit ga, dat het hotel in 1928 is geopend. Arnold Schunck) Daar heeft ze leren koken - waar wij kinderen nog veel van mochten profiteren - maar ze heeft er vooral ook geleerd, leiding aan personeel te geven. Joop, de enige jongen in het gezin, zou priester worden, dus die ging doorleren, terwijl dochter Jetty nog te klein was om mee te werken.
De vakanties van familie Cremers werden meestal in de winter in Zuidfrankrijk doorgebracht, want in die tijd kende men in Valkenburg alleen het zomerseizoen. Zo leerde men dan en passant nog een aardig woordje Frans, wat voor een hoteliersgezin natuurlijk onontbeerlijk was. Jean Cremers had de actes Frans, Duits en Engels in zijn zak, maar ook hij had behoefte aan meer praktijk.
Ze moesten natuurlijk ook wat Engels opdoen. De 18-jarige dochter Gerda werd vooruit gestuurd. Via de geestelijke kontakten die ze hadden, vermoedelijk via „heeroom“ Willy Eck, die rector bij de nonnen op Sint Pieter was, werd er een zeer katholieke familie in Londen gevonden, die Gerda als paying guest zouden opnemen om er haar Engels te verbeteren. Een andersdenkend gezin, ook al waren ze nog zo onberispelijk geweest, kwam helemaal niet in aanmerking. Maar hoewel ze bij een degelijke familie verbleef, waar ze minder vrijheden genoot dan thuis, konden een paar dametjes in Valkenburg dat niet begrijpen:
„Maar mevrouw Cremers, hoe kunt u dat toch doen! Een meisje van 18, alleen in zo een grote stad! Wie weet, wat ze daar allemaal uithaalt!“
Waarop oma Cremers haar schouders ophaalde: „Ik heb het grootste vertrouwen in mijn dochter!“
Een anekdote, die mijn moeder vaak heeft verteld om haar moeder te kenschetsen speelt waarschijnlijk tijdens dit verblijf in Engeland en haar ouders zijn daar bij haar op bezoek geweest. Ze gingen eten in een Londens restaurant. Eigenlijk kon dat geen probleem zijn, want Jean had immers Engels gegeven op school. Maar toen de kellner kwam en hij de wensen van zijn vrouw moest vertalen, bleek hij tegen die taak niet opgewassen. Hij was een vrij schuchtere man, had last van zijn ziekte en hij wilde het allemaal heel perfekt doen. De ober had haar een visgerecht voorgesteld en nu moest Jean aan hem duidelijk maken, dat ze dat niet wilde en of hij niets anders kon aanbevelen. Het duurde haar allemaal te lang, tot hij de juiste bewoordingen had gevonden en dus zei ze het maar zelf: „I don’t fish!“ De ziekte, die Jean hinderde, leek op Parkinson en werd door de familie dan ook vaak zo genoemd. Het was een gevolg van de pandemie (wereldwijde uitbraak) van de Spaanse Griep na afloop van de eerste wereldoorlog. Als gevolg daarvan leden veel mensen voor de rest van hun leven aan neurologische funktiestoornissen.
De ober heeft het perfekt begrepen. Zo was onze oma ten voeten uit. En toch: wat hebben we van haar gehouden.
Tijdens zijn studie op het groot seminarie bij de Franciscanen leerde Joop Pierre Schunck kennen. Zij zijn er allebei niet gebleven. Toen Pierre in dienst van zijn vader de wasserij in de Plenkert ging beheren, was het dan ook duidelijk, dat hij ’s middags in het hotel van de ouders van zijn vriend Joop ging eten. Zo leerde hij ook Gerda kennen. Catharina, die zag dat het wat ging worden tussen die twee, hoopte aanvankelijk, dat Pierre en Gerda het hotel zouden overnemen. Gerda zag daar ook wel iets in, maar Pierre was er gewoon niet het type mens voor. Dus gingen Catharina en Wielke „rusten“ in de Plenkertstraat, naast de wasserij. Jean was inmiddels overleden. Het hotel werd verkocht en heette vanaf toen hotel Austen.
Toen ook de wasserij werd verkocht, werd er opnieuw verhuisd. Wij, dus het gezin van Gerda, trokken in het huis ernaast, terwijl oma en tante Wielke naar de Bogaardlaan verhuisden. Dat was om de hoek bij de markt, waar toen nog de Valkenburgse meisjesschool was gevestigd. Dus gingen onze meisjes er vaak langs. Oma kreeg steeds meer last van een struma. Vroeger noemde men die ziekte ook een „krop“, omdat de sterk gezwollen schildklier van de patiënten daaraan deed denken. De ziekte was een gevolg van jodiumgebrek en komt tegenwoordig nauwelijks nog voor. Maar oma is er langzaam aan gestikt. Mijn zusje Marie-José zat erbij toen haar tijd om was.

Haar levensmotto kwam uit de bijbel. Het werd door haar dochter Gerda overgenomen:
Een sterke vrouw, wie zal haar vinden! (Spreuken 31:10)

Meer foto’s waar Triechen Cremers-Eck op staat en haar biografische gegevens vind je op
../stamboom/schunck_view.php?ID=223&lang=nl