text, no JavaScript Log in  Deze pagina in het NederlandsDiese Seite auf DeutschThis page in English - ssssCette page en FrançaisEsta página em Portuguêstop of pageback

De namen op de muren

Wikimedia

Limburg 1940-1945,
Hoofdmenu

  1. Mensen
  2. Gebeurtenissen/ Achtergronden
  3. Verzetsgroepen
  4. Steden & Dorpen
  5. Concentratiekampen
  6. Valkenburg 1940-1945
  7. Lessen uit het verzet
 

Interview met Pierre Schunck (NIOD)

In het onderstaande interview, dat in het NIOD ligt, vertelt Pierre Schunck uitsluitend over het georganiseerd verzet, dus vanaf zijn contact met Giel Berix. Lees voor de tijd daarvoor het hoofdstuk „Je koos niet voor het verzet“, waarin het over het begin van de bezetting gaat, over zijn spontane hulp aan Nederlandse soldaten en hoe daaruit verzet ontstond. Ook daarin vertelt hij over het begin van het georganiseerd verzet, evenals in zijn interview met Cammaert. Deze verhalen vullen elkaar aan, daarom heb ik ze tot één geheel samen gevoegd, terwijl daarnaast de bronnen hier bereikbaar blijven.
Arnold Schunck

--1--  

--1--

DE HEER PJA SCHUNCK, PLENKERTSTRAAT 92, VALKENBURG, RAYON VALKENBURG

Schunck: Ik ben in contact gekomen met kapelaan Berix door het confectie-bedrijf. Doordat Berix hier pogingen deed om kleren te krijgen voor piloten en onderduikers. Hij kwam daarbij om overalls vragen. Ik zeg: „Waarvoor?“ „Ik kan niet zeggen voor arme mensen,“ zei hij.
Hij vroeg nogal een grote hoeveelheid, dus ik zeg: „Als het voor arme mensen is, moet ik het eens bespreken met Distex“ maar dat vond hij een beetje gevaarlijk
Ik had hier een Jood als bedrijfsleider, die is hier ondergedoken onder de naam van Langenveld, en die leefde hier als Ariër. [Want] als districtsleider L.O. moet je toch je onderduikers kennen. (Pierre Schunck was rayonleider, niet districtsleider. Wie is hier bedoeld? Berix? Meer over Jan Langeveld in een ander Interview met Pierre Schunck, met het Auschwitzcomitée)



Giel Berix

Begin ’43 is het contact ontstaan. Toen vroeg Berix mij, of ik wel eens wat [in] illegaliteit gedaan had. Ik zei: „Ja, wel wat.“
Hij had waarschijnlijk al op het oog om het rayon Valkenburg te organiseren. Daarop heb ik geantwoord, dat ik inderdaad in Valkenburg een stel paramenten en gouden kelken en boeken, samen [enkele] autovrachten vol, heb doen onderduiken uit het klooster van de Duitse paters Jezuïeten, die verjaagd werden door de Reichsschule.
Dat vond Berix heel interessant en aardig, en daarop deed hij mij het voorstel om in Valkenburg wat meer onderduikers aan te trekken omdat die [?] waren en hij meende dat het in Valkenburg en omgeving een geweldige gelegenheid [was], om mensen te laten onderduiken. (Ik woon in Valkenburg.)
(Het volgende is uitvoeriger en beter beschreven in een ander interview met mijn vader in het Herdenkingsnummer van het Nederlands Auschwitz Comité, 24e jg nr.1, 1980. ) over de eerste „duikherberg“)
Door een jeugdorganisatie waren daar ondergebracht ... Mijn eerste zorg is geweest, die jongens van behoorlijke kleding en bedden te voorzien.
Dat is feitelijk de oprichting van het rayon Valkenburg geweest en dat waren mijn eerste onderduikers. (Hier laat Pierre Schunck de Nederlandse militairen buiten beschouwing, die hij in de begindagen van de bezetting op weg naar huis heeft geholpen, zie interview Nederlands Auschwitz Comité) Dat is gebeurd in overleg met kapelaan Geelen.
Wij hebben toen ook vanuit Heerlen regelmatig aanvoer van onderduikers gekregen. Bij ons zijn 143 namen bekend, die wij doorgekregen hebben. Onbekend zijn het er meer, van jongens die daar al rondzwierven en die wij toen officieel bij boeren te werk gesteld hebben en in bedrijven in Valkenburg, in hotels vooral. Ik had een [???]-officier als kok in Hotel Continental ondergebracht. Hij zei: „Bij ons op de boot kunnen wij alles. Ik kan ook koken.“ „Vooruit,“ zei ik toen, „dan maar kok in een hotel, dan hoef je tenminste niet buiten te komen.“ Maar er kwam iets verschrikkelijks van terecht. Ik geloof dat de mensen daar [zowat] vergiftigd werden!

Ad: Wat omvatte het Rayon Valkenburg?
Schunck: De gemeente Valkenburg-Houthem; het dorp Walem, dat hoorde bij de gemeente Klimmen; [Geulhem] Gem. Berg en Terblijt; een uitgestrekte [???] Margraten, en het gehucht [Schoonbron] van de gemeente Wylré.

Ad: Op welke wijze was het onderling contact in het rayon, en van het rayon met het district?

--2--  

--2--

Schunck: Het aanvankelijk contact tussen het rayon en het district kwam hier door het confectiebedrijf. Ik was dagelijks in Heerlen en kon zo contact hebben.
In Valkenburg had ik reeds in ’43 een distributiecontact, dat bracht dan aanvankelijk een [2]00 bonkaarten per periode op, en later 400. Dat was feitelijk te veel voor de distributiekring Valkenburg, maar door behoorlijk teamwork van de uitreikers konden wij dat toch zonder moeilijkheden tot stand brengen.
Maar toen vervielen de oude inlegvellen en kwamen er nummertjes op de nieuwe: Valkenburg was N° [272]. Toen maakte ik mij zorg, dat wij niet tijdig van de drukkerij de inlegvellen voor Valkenburg konden krijgen. Ik besprak dat met ons LO-contact [naar] de KP: Bep van Kooten (sabotagespecialist van de KP, later commandant van de Stoottroepen Limburg, zie L. de Jong), die mij toen in contact bracht met Jacques Crasborn (KP district Heerlen, waartoe Valkenburg behoorde. De KP was de „gewapende arm“ van het verzet. A.S.). Wij hebben in Valkenburg een bespreking gehouden en Jacques beloofde mij om zo spoedig mogelijk uit het distributiekantoor te Valkenburg de voor mij nodige bescheiden weg te halen.
Naderhand op een middag is hij bij mij gekomen en zei: „Morgen gebeurt het, maar wij weten niet, hoe wij aan de sleutel van de safe moeten komen“. Toen heeft mijn distributiekantoor-contact nog diezelfde middag een enveloppe klaargemaakt met imitatie-sleutels, die ongeveer even groot waren als die van de safe, hij heeft dat gereed gehouden en ongemerkt de enveloppen verwisseld. Hij had dat heel goed en geraffineerd klaargemaakt: hij had uit de prullenmand de lakstempels verzameld, daar het papier onderuit afgeweekt en heeft toen de lakstempels netjes weer op de enveloppe gelakt. Verder had hij de handtekening nagemaakt van den leider van het DK (distributiekantoor. A.S.), een halve NSB-er, en eroverheen gezet, dus dat was klaar.
De enveloppe is afgegeven zonder dat degene die hem afgaf, er vanaf wist, op het politiekantoor. En de echte is gebracht bij den Valkenburgsen KP-agent, den heer Meys, die er verder voor zorgde dat die enveloppe kwam bij de KP die daar op hun taak wachtte.
En de andere dag 's morgens hoorde ik meteen al van het publiek, dat de overval geslaagd was, en kreeg ik ook van Bep het bericht: „Kom je rotzooi halen“.
Met een bestelwagen ben ik naar Klimmen gegaan, en samen met Bep zijn wij naar een boerderij langs de spoorweg gegaan, en hebben wij de hele boel in die bestelwagen van een wasserij in Valkenburg gepakt. Het was in meelzakken verpakt, daar hebben wij stroo op gelegd en daar zijn wij mee gegaan naar Klimmen, naar Jaspers. Daar zat [????] met een stel van de KP te wachten, daar werden de bonkaarten meegenomen en kreeg ik de stamkaarten en inlegvellen met het nummer, zodat ik geholpen was.

[???] hebben wij een 400 bonkaarten klaar kunnen stomen; 200 via de uitreikers en inlegvellen die [???] opgeplakt waren, en nog eens 100 via stamkaarten die ik bij de duikersgezinnen verdeelde en waar die pleegouders van de duikers bonkaarten voor hun gezinnen op konden halen.
Dat is altijd prachtig gelopen, daar hebben wij nooit last mee gehad.

Frits: Vertelt U eens iets uitvoeriger over het contact met de districts-leiders en met de plaatselijke mensen. (Berix was districts-leider.)

--3--  

--3--

Schunck: Het contact met de districts-leiders was Berix. Wij waren al gauw dikke vrienden, er ging geen dag voorbij of ik was bij hem, en als ik niet bij hem was dan was hij hier. Zodoende was het contact heel normaal: ik bracht dan ook de bonkaarten mee eens per periode die wij over hadden. Klimmen werd rechtstreeks door ons voorzien, dat was dan Bep van Kooten. En de rest van de bonkaarten kreeg Berix ter verspreiding onder het district in plaatsen die geen distributie-kantoor hadden [???].
Toen Berix ging onderduiken, kwam hij bij mij in huis, dus werd het contact nog enger. Toen zat de districtsleider dus bij mij in huis. Hij heette toen mijnheer De Groot en droeg een trouwring en reed op een herenfiets. Als kapelaan was hij niet gewend om een herenfiets te rijden, en hij sloeg steeds met zijn benen tegen de stang aan!
Mijn personeel dacht, dat hij en vroegere studiemakker van mij was die voor zijn gezondheid hier moest verblijven voor een paar maanden, en die niet centen genoeg had om in een hotel te gaan zitten. Hij ging door voor getrouwd en als hij bij mij binnenkwam dan was het: „Giel, hoe gaat het met de vrouw, en hoe is het met de kinderen?“, wat voor een kapelaan natuurlijk een beetje gek was!
Aan de telefoon vroeg ik ook altijd eerst: „Giel, hoe gaat het met de vrouw?“ en dan deed hij prompt een verhaal dat de vrouw net klaar was met de was, omdat zij er niet toe kon besluiten het goed naar de wasserij te sturen.
Het was een opgewekt persoon, altijd vol goede zin.

Hij is bij ons weggegaan uit angst voor mijn zoon. Die was toen 5 jaar oud, en dat manneke zei op een gegeven moment tegen hem, nadat hij zich dat heerschap goed bekeken had: „Jij bent een pater!“ Dat ventje had een brevier van hem gevonden, en hij had gezien dat Berix altijd heel eerbiedig, in tegenstelling tot papa, voor en na tafel bad, terwijl papa het meer afdeed. Verder maakte hij altijd een kruisje over het eten, en dat had mijn jongen ook van andere geestelijken gezien (die ook i.v.m. illegaal werk veel bij mij [???]). Dat had hij onthouden.
Berix zei daarop tegen mijn vrouw: „Hoor eens, een kinderoog en een kinderoor zijn scherp, het is beter dat ik maar wegga, anders krijgen jullie maar narigheid.“ Ik heb dat erg jammer gevonden. Hij is echter vlak bij gebleven en zodoende hadden wij ook weer dagelijks contact.
(Giel Berix heeft de oorlog niet overleefd. Bij een vergadering van de LO-top in Weert, die was verraden, is hij gearresteerd en later in Duitse gevangenschap overleden.)

Hier mag ik niet vergeten den secretaris van onzen districts-leider te noemen, dat was Jan Cornips, die in feite de zaken van de districtsleiding deed, die de vergaderingen bezocht enz., die de onderduikers verdeelde.
Het contact met Jan had ik steeds bij zijn vader [???].

Frits: Maakte U ook districts-vergaderingen mee?
Schunck: Ja. Wij hadden van de L.O. uit geregeld districts-vergaderingen, die waren altijd in aansluiting op de Gewestelijke vergaderingen. Als vertegenwoordiger van het district gingen daarheen óf Berix óf Jan, en later toen hij in de gaten begon te lopen was het [?]. Die gingen naar de gewestelijke vergaderingen en dan kwamen zij terug met gegevens voor de rayon-leiders, en die werden in aansluiting daaraan dan besproken.
Ad: Was daar een vaste dag voor?
Schunck: Nee. Het was ongeveer om de 14 dagen, maar geen vaste dag.

--4--  

--4--

Coenjaerts: Die vergaderingen werden per koerier aangekondigd. (Cammaert schrijft: „G.H.H. Coenjaarts, die op het kantoor van de Staatsmijnen werkte, ontvreemdde ruim duizend bedrijfspassen voor onderduikers. Hij drukte illegale blaadjes en zelfs boeken op de Staatsmijnen. In de zomer van 1944 dreigde dat aan het licht te komen. De voltallige rayonleiding dook onder. Gedurende de laatste maanden van de bezetting fungeerde Coenjaarts als hoofdmedewerker van Goossens inlichtingendienst in het rayon.“ Gaat het hier om dezelfde persoon?)
Schunck: Naderhand werden die vergaderingen wat te gevaarlijk geacht. Toen kwam Coenjaerts [???] vertegenwoordigen, en wij zijn bij elkaar geweest bij Jaspers waar Bep zat, en hebben wij feitelijk die rayon-vergaderingen gestaakt. Wij hebben gezegd: „Dat doen wij niet meer, dat wordt te gevaarlijk“. Ströbel zat ons toen erg achter de vodden.
Wij zijn toen vrouwelijke koeriers in gaan voeren. Dat was vrij () tegen het einde. Dat hebben wij in heel klein verband medegedeeld aan de duikhoofden. Dat was te Weert, alles ging toen via koeriersters.
Toen heb ik Mej. Cremers (Wielke Cremers, schoonzus van Pierre Schunck) aangesteld als koerierster. Die is altijd naar de gekste adressen gegaan, en van haar kreeg ik briefjes door. Maar dat vond ik geen bevredigende oplossing, want die briefjes waren nog gevaarlijker dan het contact!

Sedert de arrestatie van Berix was ons district van de L.O. ook een beetje het stuur kwijt, en heeft de ene districts-leider den anderen opgevolgd, zodat ik feitelijk in mijn rayon zelfstandig gewerkt heb, en alleen geen gegevens meer doorkreeg noch onderduikers.
Ik heb een tijdlang van Maastricht uit van M[emmisman] wat onderduikers geplaatst, die niet in de L.O. georganiseerd was, maar die tenslotte niet meer wist waar de mensen naar toe te brengen. [Er kwamen ook bij van in de plaatsen]. En jongens van de Arbeitsdienst die voor de OT moesten werken maar die hem drosten, en vanzelf in de naaste omgeving bij boeren terecht kwamen, en die boeren wisten wel wie er duikhoofd was.
Dus de open plaatsen bij ons kwamen vanzelf vol.

De mensen die tussen Juli 44 en eind Aug. 44 districts-leider geweest zijn, kende ik feitelijk niet meer, omdat het contact via de koeriersters ging, en dat was wel goed ook. Maar dat er briefjes doorgingen, vond ik verkeerd, er werd teveel geschreven.

[?] wij keerden maandelijks ƒ1600,-- uit aan ondersteuningen. Dat was niet veel, omdat wij een landbouw gemeente hadden en de onderduikers die bij ons geplaatst werden konden allemaal tewerkgesteld worden bij de boeren of in hotels. Dus die verdienden vanzelf hun eigen kost. Ik stond erop, als een jongen voor een boer werkte en hij deed zijn werk goed, dan moest hij daar ook een behoorlijke zakcent voor krijgen, en als het een getrouwde man was, namen wij maatregelen via het district, en daar voor waren die ƒ1600,--.
Wij kregen in het rayon wel eens giften, maar vooral tegen het eind kwamen er veel zwarte heren (=zwarthandelaren) die strikt het stempel „illegaliteit“ wensten, en [dat] geld heb ik dan ook geweigerd. Er was zelfs een veekoopman die eens een hele ton wou geven. Het duikhoofd kwam opgetogen bij mij: „Ik heb een ton!“
Maar ik zei: „Toch nemen wij hem niet“.
Als ik niet wist van wie het kwam zei ik altijd: „Nee, wij maken ons niet vuil aan die rotzooi“.
Wij hebben nooit schulden gehad.

--5--  

--5--

De gelden van het district waren feitelijk [MOF]-gelden. Dat waren families waarvan de man ondergedoken was en die wij op die manier moesten steunen, daarvoor beschikten wij over [MOF]-geld.

En het contact naar beneden:
De duikhoofden konden zich zoveel helpers nemen als zij maar wilden, maar ik moest weten wie het waren, en dan [won] ik daar informatie over. Dat is misschien verkeerd geweest, maar ik meende dat de sterkste keten gebroken kan worden door een zwakke schakel, en wilde daardoor geen risico lopen, alvorens er iemand aangenomen werd, moest ik er dan van weten. Het beveiligde ons feitelijk a priori.
Wij hebben in elke parochie een duikhoofd gehad. Onze zaak was feitelijk parochieel georganiseerd. Het districts-hoofd had in de eerste plaats contact met de parochie-geestelijkheid, en die kreeg ook de tips voor het evt. onderduiken van jongens uit Valkenburg van de parochie-geestelijkheid.
Hij (het duikhoofd, A.S.) gaf mij dan naar boven de adressen van de jongens die wensten te duiken. Meestal kende ik die lui wel en wist hun redenen, dat waren meestal behoorlijke nationale redenen. Die adressen gaf ik door aan Jan Cornips en deze maakte daar een duikplaats voor klaar.
Dan maakte ik Turkse pasjes klaar [met ???? ???] het kapelletje van Klimmen, dan zorgden zij daar wel voor de rest. Daar zorgde meestal [Bessems] voor, die bracht meestal de jongens weg. Dan waren wij ze kwijt.
Maar tegen één die wij eruit stuurden, kwamen er 10 bij ons terug, omdat het hier een landelijke gemeente was.

Wij hebben ook wel moeilijkheden gehad, vooral met een convooi uit het Gooi. Wij hebben korte tijd het convooistelsel gehad, dat zij opeens met een 20, 25 onderduikers, Valkenburg binnenvielen, wat ik een stomme beweging vond. Dan stond je met duikhoofden aan het station om die mannen op te vangen en te verdelen.
Er is eens spionage geweest achter zo een convooi, en toen heb ik een opzichter van de [??????] OT (Organisation Todt) laten verklaren, dat het allemaal OT-arbeiders waren die meekwamen. Dat heb ik dien man indirect, via relaties en kennissen, laten zeggen. En die man was gelukkig niet zo on-nationaal, dat hij dit niet wilde verklaren. Dat waren mannen uit de Betuwe. Ik geloof dat daar iets aan de hand was dat daar ineens alle onderduikers weg moesten. Daar heb ik ook een stel van gehad en die hebben wij voor OT-arbeiders moeten laten doorgaan.

Eenmaal meende ik er een verrader bij te hebben. Dat was een man, die wou maar steeds naar een andere duikplaats toe. Daar heb ik mij heel erg over beraden, hoe dien man kwijt te raken. Hij maakte overal moeilijkheden en zei maar elke keer, dat hij een andere duikplaats wilde hebben. Ik heb hem afgevoerd naar Bep van Kooten, tegen wien ik zei: „Je kunt een fraai exemplaar van mij krijgen.“ Hij zei: „Laat maar komen, ik heb genoeg gedroste [***!]“ En hij heeft dat geval ook opgelost.
Pierre Schunck formuleert het hier kort en bijna luchthartig. In huiselijke kring heeft hij hier heel anders over gesproken. Ze zaten met deze man erg in hun maag. De verzetsmensen in Limburg waren voor het grootste deel overtuigde en principiële christenen, die het 5e gebod serieus opvatten. Maar aan de andere kant was hier sprake van oorlog, deze man was waarschijnlijk een vijand. Dus gold hier oorlogsrecht en het principe van noodweer. En de KP, als „gewapende arm“, moest het oplossen. Dit was natuurlijk iets anders dan de bijltjesdag-acties, die na de bevrijding plaatsvonden en waarvan de L.O. zich heeft gedistantieerd. A.S.

°°De ondergrondse activiteit:
Wij hadden een duikherberg, die was in een grot.

--6--  

--6--

Daar hadden wij een 20 britsen. Die hadden wij oorspronkelijk ingericht voor piloten want we zaten met piloten in de knoop, die moesten gespreid worden en [iemand?] kwam met het idee: je moet maar zien, ze in een grot weg te werken. Daar hebben wij dat zaakje dan ingericht. Wij hebben de beroemde familie F[*te***] met 9 getrouwde mannen uit één gezin ondergedoken gehad. Dat waren Polen, en die hebben [en bloc] geweigerd in het Duitse leger dienst te nemen. Daar heb ik er (zelf) 7 van gehad, en die heb ik een grot die nog niet bekend was, laten uitgraven met nooduitgangen, electrische verlichting, radio, bad, een aanrecht, een petroleum-vergasser om op te koken enz.
En toen wij net klaar waren, kwam er vlak naast een fabriek van de OT. Die grot is dan ook nooit gebruikt, hij staat er nog. Er is een film van gemaakt door de Amerikanen, die moet nog bij de Amerikaanse leger-documentatie zijn.

Ad: Was dat de [enigste] grot?
Schunck: Dat was de piloten-grot. En die is alleen gebruikt door de arbeiders die ze maakten. Wij hebben metingen gedaan om het meest gunstige punt uit te zoeken en de meest gunstige uitgangen in het [bos]. We hebben daar nog een oude vrouw verschrikt die eikels liep te zoeken, opeens kwam iemand uit een gat naar boven! ([Toen] waren we de geheime uitgangen aan het proberen). (het ging hier om een uitgegraven zogeheten orgelpijp, een karstverschijnsel in de vorm van een omgekeerde trechter naar boven)

Wij hadden nog een grot die wel gebruikt is. Allereerst hebben de jongens van kapl. Geelen erin gezeten. Maar je kunt nu eenmaal niet langer dan drie maanden onder de grond zitten, dan moet je de buitenlucht weer eens zien. Ik heb toen gemeend dat het het beste was, er maar een duikherberg van te maken. Die jongens van kapl. Geelen hebben wij in Schin op Geul geplaatst (wij hebben die helemaal overgenomen) bij een boer.
En die grot werd een duikherberg, waar als ik toevallig geen plaats had en ik kreeg toch aanbod, dan zei ik: „Laat maar komen“, dan stopte ik ze in de grot en waren zij voorlopig veilig.

Maar dat ding lekte zo langzamerhand uit in het district en op een gegeven ogenblik komt Bep van Kooten bij mij met Jantje [Lemmens] en zegt: „Je bent je duikherberg kwijt, aan de KP“. Dat vond ik natuurlijk minder plezierig.
Ik heb er alle actie tegen gevoerd, ik heb gezegd: „Voor mij is dat ding noodzakelijk. Maar wat gaan jullie er mee doen? Misschien wapens in opbergen, en dat kun je net zo goed ergens anders doen.“
Maar in feite heeft de KP het ding toen gebruikt als gevangenis. Voor verdere bijzonderheden moet u bij de KP zijn. (Daar is het nodige over binnen).
Jan heeft [erin*] gezeten.
Een tijdlang hebben de districts-hoofden erin gezeten, en mensen van andere districten, die heb ik goed verzorgd met behoorlijk eten, zelfs wijn en kaarten en mijn radio stond daar. Er was electrisch licht, dat was O.K.
Die kabel hebben Berix en ik gekraakt op het Gemeente Bedrijf. (Pierre Schunck gebruikt hier een inbrekersterm, maar hij was blijkbaar niet van dat vak. Kraken is immers inbreken. Hij had beter de term „georganiseerd“ kunnen gebruiken. In het interview met het Auschwitz-comitée heeft hij het over kabel van de Oranje-Nassau-mijn. Mogelijk hebben ze aan één kabel niet genoeg gehad, omdat de afstand naar de meterkast te groot was.)
De matrassen hebben wij gekraakt bij de zusters van het ziekenhuis. Dat ging heel gemakkelijk! Op een goede avond kreeg mijn vrouw de opdracht, voor wat dekens te zorgen en [dan ben] ik op matrassen uit[gaan]. Wij gingen naar Heerlen, waar wij bij de firma (Fa A.Schunck) wat dekens weg konden slepen. Maar matrassen hadden ze niet. Ik sprak Berix daar over aan

--7--  

--7--

en vroeg hem: „zouden wij daar niet een vergunning voor kunnen krijgen? (in het ziekenhuis)“. Toen zei Berix [***], ik ben dezer dagen hier op bezoek geweest en als je daar eens gaat kijken, [***] heeft een gang en daar staat de ene matras naast de andere.
Ik ging er prompt met Berix naar toe. De huishoudster vroeg: „Wat moet je hebben?“ „Ja, matrassen“, zeiden wij. Zij zei: „Pak ze maar als de kaplaan het goed vindt. Daar staan ze!“
En wij zijn daarmee gaan sjouwen.
Maar om een uur of 10 kwamen de zusters terug en wilden gaan slapen. Zij hadden de gewoonte, de matrassen daar in de gang te luchten, en deze matrassen hadden wij nu meegenomen!
Maar in elk geval hadden de jongens in de grot nu matrassen om op te slapen.

Wij hebben daar (in de grot) nog een incident gehad. Een KM of 5 verder was er een Truppenübungsplatz (vroeger het schietterrein van de kazerne te Maastricht). En daar kwamen de Schutztruppen schietoefeningen houden. Daar hadden wij geen last van.
Maar toen gingen zij ook Feldübungen houden, en daar wist ik natuurlijk niets van. Daarbij werd het hele terrein omsingeld, waarbinnen onze ingang lag. Een arbeider van een kalkoven, die daar een beetje portier was, belt mij op en zegt: „Ze hebben de hele grot omsingeld!“
Ik rij er onmiddellijk met een bestelwagen naar toe. Ik laat hem op een kleine afstand staan en loop het laatste stukje. En daar zie ik een mof staan met het geweer in de aanslag. Ik loop een eindje verder en zie nog een mof staan, ook met het geweer in de aanslag. Zij waren daar oefeningen aan het houden en stonden allemaal op de uitkijk met het geweer in de aanslag. Ik liep het terrein rond, maar rondom was het helemaal omsingeld.
Ik meteen naar huis en bel [***lman] op. Ik zeg: „Als je nog wat doen wilt voor die lui, kom dan onmiddellijk met een gewapende macht van jullie en sla die kerels de hersens in“. En daar kwamen zij met een Vliegende Brigade aan. Ik weet niet hoeveel auto's zij wel gerequireerd hadden, maar toen ze kwamen waren alle Duitsers met de stille trom vertrokken! Toen konden ze weer naar huis toe.
Ik had natuurlijk ook niet aan die moffen kunnen vragen: „Zoeken jullie de mensen die daarbinnen zitten?“
Bep van Kooten was groen giftig.

Ad: Zijn er nog speciale acties geweest met Zet-kaarten of TD['s?] (= Tweede Distributiestamkaart)
Schunck: Die z-kaarten zijn bij ons niet zo nodig geweest, maar wij hebben toch een agent gehad. Dat was een ventje van de belastingen, die veel bij de zakenlui kwam, en die daar dan zg. de boeken ging onderzoeken. Dan zei hij tegen zo een zakenman: „Heb je de z-kaarten van je personeel al ingestuurd?“ En als zij dat niet hadden gedaan zei hij: „Kom maar hier, dan maak ik het wel even in orde.“ Dan deed hij dat en bracht ze bij mij. Dan meenden die zakenlui, dat ze hun z-kaarten in orde hadden. Die vent van de belastingen voorzag me van stempels en ik bracht ze dan weer bij hem dat was heel eenvoudig.

--8--  

--8--

Wat mijn eigen zaken betreft, heb ik mij van de Z-kaarten niets aangetrokken.
Dit bedrijf is gesloten geweest door de Duitsers en in die tijd hebben wij voortdurend voor de onderduikers gewerkt, zg. als mijnkleding-reparatie bedrijf. Wij konden hier nogal vrij werken, omdat mijn assistent was ondergedoken (als niet van Arischen bloede zijnde).
Juni ’43 werd ons bedrijf gesloten, door de Duitsers in beslag genomen. Ik weet niet waar[om?] Daar kwam het Centraal Magazijn van Distex (Rijksbureau voor de Distributie van Textielproducten door de Handel) in Arnhem achter, en één van de heren meende daaruit een pro-Nederlandse mentaliteit van ons te kunnen concluderen, die komt op een gegeven moment naar mij toe en begint mij te polsen, of wij nog wel konden doorwerken (wij waren nog aan het doorwerken) en of wij niet wat voor hem konden maken. Ik zeg: „Wat dan?“
Hij zegt: „De landwacht neemt nogal wat stof links en rechts in beslag, die wordt bij ons opgeslagen, en daar hadden wij graag confectie van gemaakt, die wilden wij geven aan de arbeiders van een paar Nederlandse industrieën, die niet bij de Duitsers in de gratie zijn. Hij moest dus werkmans-kleding hebben.
Enfin, het ene woord geeft het andere, en omdat je het al zo een beetje aanvoelde, kwam hij eindelijk voor de dag ermee, dat hij wel wat voor onderduikers deed en dat ze waar hadden, die geconfectioneerd moest worden. Ik zeg: „Dat is goed, maar dan moet ik er ook van profiteren, dan moet ik er ook wat van voor andere onderduikers hebben. Ik zal wel zien contact te krijgen (1). Ik wil ook wat voor Limburg doen.“ „Goed,“ zegt hij, „we zullen u toewijzingen geven.“
Toen hebben wij 30.000 M stof verwerkt voor onderduikers, die weer terug gingen naar Distex en gedeeltelijk onder het district hier verdeeld werden. Dat waren K[?????stof broeken, hemden] en zo.

Ad: Zat daar het [?] achter?
Schunck: Daar heb ik nooit van gehoord.
Wij hadden vergunning voor het repareren van mijnkleding, en op die toewijzing maakten wij kleren voor onderduikers.
Of dat van Distex allemaal bij onderduikers terecht is gekomen, weet ik niet. Het merendeel moesten wij aan hen teruggeven.


Wij zijn de eerste Inlichtingen Dienst geweest, die in de frontlinie gewerkt heeft.
Ad: Wie heeft dat bij U georganiseerd?
Schunck: In ons rayon heb ik dat gedaan. Theo Goossen was daar de man van.

Frits: Zijn er nog medewerkers van U gearresteerd of gesneuveld?
Schunck: Twee onderduikers (geen medewerkers) zijn gearresteerd, die zaten in de grot. Eén ervan was van de L.O. in Simpelveld, de ander van de KP in Vaals.
Diezelfde nacht, dat ze die jongens hebben doodgeschoten, hebben zij (heeft men) mij gewaarschuwd; van te voren wist ik er niets van. De waarnemende burgemeester had [???], en toen is een Rode Kruis Zuster er naar toe gestapt en heeft die jongens verzorgd. Zij zijn naar het lijkenhuis gebracht.

--9--  

--9--

Boter- en eierenaffaire:
Er zijn indertijd eieren ontvreemd die voor Duitsland bestemd waren, en ik heb er schik aan gehad hoe de boeren hun eieren geleverd hebben. Die eier-kisten zijn bij ons gebracht en mijn vrouw en ik hebben ze verdeeld voor de diverse rayons en districten. Van ons uit werden ze met de bestelwagen van de wasserij verder gebracht.
Toen wij die kisten openmaakten, stonken ze van de rottigheid! Wij hebben die eieren heel minutieus en zorgvuldig moeten uitzoeken dat onze eigen mensen geen rotte eieren zouden krijgen.
Als de Duitsers dan zorgvuldig waren gaan zoeken, hadden ze bij ons op de stank af kunnen gaan om de eieren te vinden!
De boeren leverden dus alleen de rotte eieren.

Meer over deze „affaire“ leest u in het hoofdstuk Boter en eieren van „Het hele verhaal“.